
In de Gerechtsdeurwaarders (art. 33-49) is het wettelijk tuchtrecht over de gerechtsdeurwaarders geregeld. Een gerechtsdeurwaarder is aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige of bij krachten de gerechtsdeurwaarderswet gegeven bepaling, of ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt (de zogenaamde tuchtrechtelijk norm) De Kamer toetst de ingediende klachten aan deze norm.
De Kamer heeft als tuchtrechter de bevoegdheid om een oordeel uit te spreken over klachten die verband houden met de gerechtsdeurwaarder als publiek ambtenaar (de ambtshandelingen) maar ook over de gerechtsdeurwaarder als incassobureau.